De boomgaard

De boomgaard


Op ons erf was geen boomgaard aanwezig. Wel stonden er een oude perenboom, een pruimenboom (reine Victoria) en een perzikboom. De perzikboom was niet meer gezond en is gekapt.
We hebben besloten een hoogstam boomgaard aan te planten om bij te dragen aan het herstel van het oorspronkelijk cultuurlandschap.
Een extra voordeel was hierbij dat de provincie Gelderland de aanplant subsidieerde.

De volgende bomen zijn aangeplant : appels, peren, pruimen, een kers, een mispel en een kweepeer.

 

  1. Appelbomen
      • Dubbele Bellefleur (j)Het is niet bekend wanneer de Dubbele Bellefleur voor het eerst is ontdekt of gekweekt.

        De boom is een sterke groeier met een volle kroon, en heeft een goede opbrengst.
        De appels zijn geelgroen met een rode blos, en zijn geschikt voor appelmoes en appelbollen.
        De bomen bloeien laat en zijn niet zelfbestuivend maar moeten bestoven worden door de sterappel of de zoete kroon. De bomen zijn vatbaar voor schurft en appelmeeldauw.

      • Bramley’s seedling (b)De Bramley´s seedling wordt ook wel pannenkoekappel genoemd. Niet alleen vanwege haar geschiktheid om in plakjes in pannenkoeken meegebakken te worden maar ook om dat de appel groot en enigszins afgeplat is.

        Het ras werd omstreeks 1850 in het Engelse Southwell gekweekt door ene Bramley. Het ras heeft een hoge vrij regelmatige opbrengst en kan goed tot sap en moes verwerkt worden.
        De appels zijn in boomrijpe staat helder donkergroen van kleur, met aan de zonzijde een rood gestreepte blos.
        De boom is een sterke groeier en heeft al vrij snel een aanzienlijke omvang bereikt. Ook is de boom geschikt voor alle grondsoorten en is niet droogtegevoelig. Het is een middelvroege bloeier die ondermeer bestoven wordt door Transparente de Croncels en Early Victoria, maar bij zelfbestuiving kan er ook nog een redelijke vruchtzetting plaatsvinden.
        De bomen van dit ras zijn niet erg vatbaar voor ziektes zoals vruchtboomkanker en schurft.

      • Groninger kroon (i)De eerste boom van dit ras werd rond 1875 door S.H. Brouwer in een tuin in Noordbroek (Gr) gevonden. Het is waarschijnlijk een zaailing geweest.

        Over het algemeen stelt de boom geen eisen aan de bodem, mits deze niet te droog is. De Groninger Kroon is weinig vatbaar voor ziektes, al kan er wel eens bladschurft optreden.
        De Groninger Kroon bloeit tamelijk vroeg, maar heeft weinig last van vorstschade. Het is een goede bestuiver voor andere rassen, en kan ook zich zelf bestuiven.
        De boom heeft de neiging tot beurtjaren, maar draagt vroeg en vaak heel rijk. De appels zijn tonvormig en zijn bijna geheel donker- of karmijnrood gevlekt of gestreept.

      • Notaris (c)Notaris van den Ham werd gedreven door de gedachte dat de bestaande fruitrassen aan degeneratie onderhevig waren. Hij richtte in 1873 de befaamde Luntersche Tuinbouwvereniging op. Met veel ijver stortten de leden zich op het uitzaaien, het opkweken en selecteren van nieuwe en betere rassen. De resultaten van dit baanbrekende werk zijn o.a.: Lemoenappel, Luntersche pippeling, tante Dora, Oranjeappel en de Notarisappel.

        De bomen van de notarisappel vertonen een matige tot sterke groei en vormen een piramidale kroon. het ras is vrij laat vruchtbaar en bloeit middentijds. Het ras is niet zelfbestuivend, goede bestuivers zijn o.a. goudreinette, transparente croncels en early Victoria. De notarisappel is enigszins gevoelig voor ziekten (o.a. ‘stip’). Ook is dit ras gevoelig voor vroegtijdige val.

        De appels zijn tamelijk groot en enigszins onregelmatig van vorm en lichtgroen van kleur. Als ze rijpen verandert de kleur in geelgroen met een lichtrood gestreepte blos.

      • Sterappel (d,o)De sterappel of sterreinette is vermoedelijk afkomstig uit Zuid-Limburg of België.
        De sterappel dreigde te verdwijnen omdat deze appel ongeschikt is voor de teelt op ‘zwakgroeiende’ onderstamtypes (struikvorm), zoals gebruikt in de professionele teelt. De sterappel doet het alleen goed op hoogstam.

        De boom groeit langzaam en maakt tamelijk kaal, steil en fijn hout. De kroon is piramidaal en relatief smal. Ook is dit ras weinig vatbaar voor ziekten zoals schurft, kanker en meeldauw. Een nadeel is dat de sterappel laat vruchtbaar wordt, maar daar staat tegenover dat dit ras vrij regelmatig draagt.
        De bloei is zeer laat en voor de vruchtzetting zijn bestuivers nodig, zoals de Brabantse Bellefleur.

        De appels zijn prachtig rood gekleurd, zijn middelgroot en kogelrond. De naam dankt dit ras aan de geelgrijze sterretjes op de schil.

      • Wienneker (h)Nog geen informatie.
    terug naar top
  2. Perenbomen
    • Beurré Alexander Lucas (e)De Beurré Alexander Lucas is in Frankrijk omstreeks 1870 in Blois in een bos gevonden. Na 1874 is het ras door de gebroeders Transon in Orléans in de handel gebracht.

      Dit ras groeit in de beginjaren matig, later zwak. Bij de groei maakt de boom veel slaphangend hout. De boomvorm is hoog piramidaal en heeft een voorkeur voor vrij warme, voedzame, lichte tot zware grond. Dit ras is niet geschikt voor koude en natte gronden.
      De boom bloeit vroeg en is niet zelfbestuivend, goede bestuivers zijn andere triploïde, Beurré Hardy, Clapp’s, Conference en Doyonné. De vrucht is zwaar stompkegelvormig en de kleur is groenachtig geel tot roodachtig geel.

    • Gieser Wildeman (n)De Gieser Wildeman is één van de bekendste Nederlandse stoofperen. Het is een Nederlandse zaailing die gekweekt of geselecteerd is door de kweker Wildeman uit het (toen nog) dorpje Giesen.

      De Gieser Wildeman is op latere leeftijd een zwakgroeiende boom, die vooral op wat lichtere grondsoorten een sterke zaailing-onderstam vraagt. In de beginjaren groeit de boom krachtig en maakt veel opgaande takken. In een later stadium ontwikkelt het ras sterk gespoorde takken, terwijl er geen jongere takken meer gevormd worden.
      Het ras heeft weinig last van ziektes. Wel kan soms schurft op treden,
      De vruchten zijn zeer regelmatig gevormde, licht kaneelbruine peren. Op de zonzijde is een licht bruinrode blos te zien. Bovendien is de peer bedekt met grijze stippen.
      De peer is eind oktober oogstbaar.

    • Juttepeer (h)Over het ontstaan van de Juttepeer is weinig bekend. Vast staat dat het een zeer oud ras is. Waarschijnlijk is de Juttepeer in de Middeleeuwen, in de Nederlanden of Frankrijk, ontstaan.

      De Jut wordt gekenmerkt door grote groeikracht. Het ras vormt een hoge en brede boom die zeer oud kan worden. De Juttepeer heeft het op de meeste bodemsoorten naar de zin.
      In de beginjaren dragen de bomen nauwelijks en onregelmatig. Later kan de Juttepeer zeer rijk dragen maar is wel gevoelig voor beurtjaren.
      De boom is produceert laat en slecht stuifmeel, maar kan goed bestoven worden door Triomphe de Vienne.
      De peer van de Jut is tamelijk klein en bronskleurig en nogal gauw buikziek.

    • Juttepeer (h)Over het ontstaan van de Juttepeer is weinig bekend. Vast staat dat het een zeer oud ras is. Waarschijnlijk is de Juttepeer in de Middeleeuwen, in de Nederlanden of Frankrijk, ontstaan.

      De Jut wordt gekenmerkt door grote groeikracht. Het ras vormt een hoge en brede boom die zeer oud kan worden. De Juttepeer heeft het op de meeste bodemsoorten naar de zin.
      In de beginjaren dragen de bomen nauwelijks en onregelmatig. Later kan de Juttepeer zeer rijk dragen maar is wel gevoelig voor beurtjaren.
      De boom is produceert laat en slecht stuifmeel, maar kan goed bestoven worden door Triomphe de Vienne.
      De peer van de Jut is tamelijk klein en bronskleurig en nogal gauw buikziek.

      De Juttepeer is licht gevoelig voor schurft. De gevoeligheid voor monilia-rot is veel groter dan bij andere rassen. Deze ziekte treedt op wanneer de vruchten tegen plukrijpheid, bij afwisselend nat en droog weer, de neiging hebben om te scheuren.

    • Suikerpeer (h)Nog geen informatie
    terug naar top
  3. Pruimenbomen
    • Eldense Blauwe (m)De naam van deze pruim is River’s Early Prolific . In ons Nederland bekend onder de naam Eldense Blauwe of Roggepruim.
      Deze pruim is in 1834 door kwekershuis Rivers in Engeland gekweekt.

      Het is een matig grote, vrijwel ronde, pruim, die blauwpaars van kleur is en met dauw bedekt.
      De boom is een matige groeier en zal betrekkelijk klein blijven en heeft een bolvormige kroon.

      Dit pruimenras gedijt op vrijwel elke grondsoort en is weinig gevoelig voor aantastingen, met uitzondering van spintmijt.

      Deze pruim is grotendeels zelf steriel en heeft daardoor een bestuiver nodig zoals b.v.: Reine Victoria, Reine Claude d’Oullins, Monsieur Hatif, Jefferson of Czar.
      Zoals de naam ‘Roggepruim’ zegt zijn de vruchten rijp wanneer de roggeoogst plaatsvindt, d.w.z. eind juli, begin augustus.

    • Reine Victoria (l)De Reine Victoria (ook wel Victoria) is een toevalszaailing die rond 1830 in Engeland (Sussex) is gevonden. Het is een fijne, mooie en zoete pruim.

      De boom is vrij klein van stuk. Zij bloeit middentijds en produceert stuifmeel van goede kwaliteit. Het ras is zelfbestuivend en kan goed andere pruimenrassen bestuiven.
      De Victoria is een vrij grote, langwerpige pruim. Als de pruim rijp is, is de kleur rood-oranje en heeft een mooi bedauwd uiterlijk. Haar vruchtvlees is geel van kleur, en zij is saprijk en goed los van de pit.

      Deze variëteit is gevoelig voor gomvorming en loodglans.
      Door gewoonlijk zware dracht is vruchtdunning absoluut noodzakelijk. Zonder dunning komt de pruim slecht op smaak.

    terug naar top
  4. Kersenboom
    • Udense Spaanse (a)De Udense Spaanse is bekend sinds de 19e eeuw.

      De boom is een sterke groeier en wordt een rustieke boom.
      De vrucht is vrij groot en is geel rood van kleur. De kers is rond half juli plukrijp.
      De boom is niet zelfbestuivend maar moet bestoven worden door een andere kers, bv de meikers.

      Voor de kersen moet men geen kersenboom in de boomgaard planten, want zoals Hendrik ten Elzen, bomenkweker te Neede zegt, “Als je kersen wil eten dan moet je naar de groenteboer gaan.”

      De boom is gevoelig voor bacteriekanker.

    terug naar top
  5. Kweepeer
    • Vranja (g)De kwee (in peer of appel vorm) is al eeuwenlang in cultuur. Oorspronkelijk komt de kwee uit het Middellandse Zeegebied en Klein-Azie. De Grieken en Romeinen hebben de kwee naar West-Europa gebracht.

      De kwee houdt van luwte en zon en lichte tot kleiige grond. Ook wortelt de kwee oppervlakkig en heeft graag licht vochtige grond.
      De kweepeer is niet erg gevoelig voor bepaalde ziekten, soms heeft de kwee wel eens last van rupsen, moniliaziekten (zie peer Jut ), meeldauw, bladvalziekte en bacterievuur. De vatbaarheid voor deze ziekten is erg afhankelijk van het ras. Het ras Vranja is weinig vatbaar voor schimmelziekten.
      Vranja is een zelfbestuiver met prachtige grote witte bloemen. De vruchten zijn groot (soms 1kg per stuk), geel en hebben een peervorm.

    terug naar top
  6. Mispel
    • Wilde mispel (f)Net als de kwee is de mispel door Romeinen en Grieken naar West-Europa gebracht. Aan de Kaspische Zee was de mispel al een paar duizend jaar in cultuur.
      De naam, Mespilus germanicus, dankt deze vrucht aan Linnaeus die dacht dat deze vrucht van nature in Duitsland groeide.

      Mispels hebben veel zon en een niet te natte, kalkrijke grond nodig. de boom bloeit in mei-juni met grote witte bloemen die een zoete onmiskenbare geur verspreiden.
      De mispel is zelfbestuivend, maar geeft pas na 3 of 4 jaar vrucht.
      De vruchten zijn klein en bruin. Ze moeten lang aan de boom blijven hangen, een paar nachtvorsten moeten er over heen. de vorst zorgt ervoor dat het vruchtvlees zacht wordt.

No comments.